Image Groningen - Universitair hoofddocent kontalenten volgen bij zoektochtnaar relatie sport en school. Voor zichzelf was hij er altijd vrij zeker van: de fysiek sterksten houden het het langst vol in de topsport. Maar nu weet Chris Visscher, na jaren van onderzoek, beter.‘Als je in de sport op het hoogste niveau lang wilt meegaan, moet je gewoon slim zijn’, zegt hij. ‘Dan wijs ik graag op types als voetballer Phillip Cocu, die altijd op het juiste moment op de juiste plek staan en ook nog eens de juiste dingen doen. Uitblinkers scoren vooral hoog door hun motivatie en strategisch inzicht.’

Visscher (57) is bijzonder hoogleraar Sport bij de faculteit Bewegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij doet onderzoek naar talentontwikkeling en de relatie tussen sport- en schoolprestaties.

Sinds deze maand bekleedt hij de leerstoel Jeugdsport, mede gefinancierd door NOC*NSF, die hem in staat stelt zijn wetenschappelijke werkzaamheden te intensiveren. ‘De uitdaging is te kunnen vaststellen waarom van technisch en fysiek goed onderlegde spelers van 8 tot 10 jaar de één meer kans heeft om door te breken dan de ander.

‘We richten ons niet alleen op topsport. De afgelopen jaren is bij ons ook de motorische ontwikkeling van dove en blinde kinderen onderzocht. De komende drie jaar kijken we in het speciaal onderwijs bij kinderen met een leerachterstand of hun leerontwikkeling verbetert als ook hun motorische vaardigheid toeneemt.

‘Uit onderzoek blijkt dat processen die een rol spelen bij balvaardigheden ook van belang zijn bij rekenvaardigheden. Dat wil overigens niet zeggen dat kinderen beter kunnen vermenigvuldigen of worteltrekken als je ze een betere balvaardigheid bijbrengt.’

Visscher was zelf een allroundsporter die tot de top van het amateurvoetbal reikte. Na zijn studie aan de academie voor lichamelijke opvoeding gaf hij les, was hij assistent-trainer bij FC Groningen, waar Theo Verlangen toen hoofdtrainer was, en studeerde hij pedagogiek.

‘Ik ben altijd geboeid geweest door de vraag hoe kinderen hun motorische vaardigheden leren. Je ziet dat elk kind verschillend is en zich in de gymzaal ook verschillend ontwikkelt. In die ontwikkeling moet hem dan ook de ruimte worden gegeven zijn eigen standaard te bepalen.

‘Niet iedereen kan in de sport de top bereiken, maar wel iedereen kan proberen het beste uit zichzelf te halen. Dat vind ik de essentie. Door verbetering na te streven, ontstaat plezier in sport.’

Visscher zocht naar verbanden tussen school en sport, ook bij getalenteerde kinderen, en kreeg als universitair hoofddocent de ruimte jonge, geselecteerde talenten – bij de voetbalclubs Groningen en Heerenveen, en bij de hockeyclubs Den Bosch en Rotterdam – langere tijd te volgen.

In zijn oratie verklaarde Visscher begin september: ‘Voor sportieve talenten geldt dat zij motorische en sportieve vaardigheden sneller en beter leren dan gemiddeld. Dat proces versterkt zich, ze krijgen immers meer training van betere trainers en sporten tegen betere tegenstanders.’

In zijn Groningse werkkamer zegt hij: ‘We hebben aan de ene kant vastgesteld dat vijftien jaar geleden de helft van de toptalenten een havo- of vwo-opleiding volgde, de andere helft mavo en lbo. Die verhouding is nu 75 procent havo/vwo, en 25 procent vmbo.’

De verklaring? ‘Talenten zijn goed in het stellen van de doelen die ze willen bereiken, en dat is wat zowel sport als school van je vraagt. Bovendien zijn talenten heel pro-actief in hun eigen leerproces door goed te plannen, door hun eigen prestaties en ontwikkeling goed te evalueren. Ze weten heel goed wat ze moeten doen om hun doel te bereiken.

‘Een kind dat als talent geldt, maar niet als doel heeft de top te halen, toont ook niet het gedrag dat erbij hoort om dat doel wel te bereiken. Je kunt niet zeggen: ik ben talent, de rest gaat vanzelf! Nee, je begint aan een minimaal tien jaar durend traject. De vraag is: hoe regel ik mijn leven zo dat ik het doel bereik dat ik wil bereiken.’

‘Slimheid’ is het woord dat valt. Visscher spreekt liever van ‘strategisch inzicht’, en waarschuwt. ‘Het is niet zo dat je door sport intelligenter wordt. Wel is het zo dat als je aan prestatiesport doet, je een vaardigheid ontwikkelt in het duidelijk formuleren van doelen en dat je ook een goed inzicht hebt in je eigen kunnen.

‘In de jaren negentig werd gezegd dat goede schoolprestaties en goede sportprestaties niet samen gingen. De laatste jaren is het omgekeerde gebleken. Kinderen die goed zijn in sport, zijn juist ook goed op school.’

Het uiteindelijke verschil aan de top wordt volgens de Groningse wetenschapper bepaald door het talent zelf. ‘Je moet zelf veel invloed uitoefenen op je ontwikkelingsproces. Uiteindelijk zijn er op fysieke, technische en andere meetbare en trainbare eigenschappen geen grote verschillen meer.

‘Uit ons onderzoek onder zeer getalenteerde voetballers en hockeyers blijkt dat de succesvolsten zich onderscheiden van de afvallers op tactisch inzicht en motivatie. Lang leek op voetbaltalent de wet van de grote getallen toepasbaar: wie goed was, haalde het wel. Maar ook daar zie je een kentering, doordat jonge voetballers steeds meer moeten investeren en uiteindelijk ook daar strategisch inzicht een grotere rol gaat spelen.

‘Gebleken is ook dat bij kinderen vanaf 12 jaar aan motivatie en bepaalde aspecten van strategisch inzicht niet veel meer verandert. Dat duidt dus op een vroeg en vast wezenskenmerk. Daarom willen we nu nog eerder en nog jongere kinderen gaan onderzoeken.

‘Zelfsturing is van doorslaggevende betekenis. Taakgericht zijn, beter willen zijn dan een ander, en actief zijn in het eigen leerproces, zijn de kenmerken die je al kunt vaststellen bij kinderen vanaf 6 jaar.’

Visscher voelt zich gesterkt door de ervaringen van anderen. ‘Ik maak deel uit van een project van NOC*NSF om talenttrainers op te leiden. Dan gaat het eerst om de ontwikkeling, daarna pas om de prestatie.

‘Aan trainers die al in deze rol werkzaam zijn geweest, hebben we gevraagd wat zij het belangrijkste kenmerk van talent beschouwen. Het draait steeds om hetzelfde: de autonomie van het kind.

‘Kinderen moeten in hun ontwikkeling de mogelijkheid krijgen zelf dingen op te lossen en zelf dingen te bepalen. Dan haken ze namelijk niet af in situaties waarin ze geacht worden zelf beslissingen te nemen.’

Bron: De Volkskrant