Image Ontwikkelingshulp bereikt meestal de gehandicapten in Afrika niet. Zij behoren nochtans tot de meest kwetsbare groepen in een al zo kwetsbaar continent. Sybilla Claus (Afrikaredacteur van de krant Trouw) en rolstoelend publicist Petra Jorissen willen daar wat aan doen. 'I thank your send e-mail. Yes you interview on me’, antwoordt John Meletse uit Johannesburg, op mijn eerste email met de vraag of hij mee wil werken aan ons boek over Afrikanen met een handicap. Engels is voor hem de tweede of, als je het Tswana van zijn familie uit Soweto meetelt, derde taal.  Dove baby’s hebben meestal horende ouders, en daardoor eigenlijk meteen een enorme taal- en informatieachterstand. Dat is in Zuid-Afrika niet anders dan in Nederland.

We mailen wat maanden heen en weer, waarbij ik steeds korte zinnen gebruik, voor de duidelijkheid. Hij antwoordt zinnen als: ‘I wondering you, how do your feeling? I was good my life everything. I have so busy Deaf project’. Vlak voor mijn vertrekt schrijft John:  ‘I glad you cheating with your email. I have excite to meet your face’. Even raak ik de draad kwijt. Cheating? Wat zou hij bedoelen, en wat heeft hij allemaal niet begrepen van mijn emailtjes?

Dit onbegrip is de kern van de communicatie tussen doven en horenden. Een horende die niet beter weet denkt al snel dat vanwege dit hakkelende taalgebruik een doof mens (vroeger: als doofstom beschouwd) niet zo slim is. En kinderachtig, vanwege die overdreven bekkentrekkerij. Maar een dove vindt een horende die zijn mond bij het praten amper beweegt en niet met zijn handen wappert, een stijve hark.

Als ik John eindelijk zie, op een druilerige zondag in Johannesburg, is er gelukkig een doventolk bij. Thelma groeide op als dochter van dove Afrikaner ouders en haar eerste taal is daarom SASL, South African Sign Language. Ze is een tolkenbureau begonnen, een unicum in Afrika. Via Thelma, die zich niet met de inhoud van het gesprek mag bemoeien, vraag ik John van twaalf uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds het hemd van het lijf, mijn langste interview ooit. Ik geniet van hun samenspel en de bijzondere taal. Jammer dat ik, ondanks diverse cursussen Nederlandse gebarentaal, er zo goed als niets van kan volgen.   

Oma voedde John op, vertaalt de tolk, omdat zijn moeder geen doof kind wilde. ‘Mijn moeder zei niet eens hallo tegen mij.’ Oma bracht hem ook naar een dovenschool, waar hij voor het eerst andere doven zag. Langzaam kwam John uit zijn schulp. De uitstapjes van internaat naar huis werden, helaas, momenten dat hij zich van zijn eenzaamheid bewust werd. ‘Er was thuis totaal geen communicatie’, gebaart hij.

Een feest was het toen John op zijn achttiende voor het eerst les kreeg van een dove leraar. Horende leraren hadden ook met gebaren gesproken, maar op zijn ‘horends’. Johns gezicht klaart op: ‘Hoe Lucas het deed was zo logisch! Zo natuurlijk. Maar wel heel anders.’

Veel Zuid-Afrikanen sterven aan aids. Veel dove Zuid-Afrikanen weten niet eens dat ze aids hebben, als ze daaraan doodgaan. Dat maakt John kwaad, en verdrietig. Het is allemaal terug te voeren op die communicatiekloof. Daarom werken John en zijn werkgever nu met een speciale strip die dove jeugd voorlicht over aids, rechten en seks. Met weinig tekstballonnen, veel plaatjes, en veel gebaren. Het is een doorslaand succes en zou voor België en Nederland als een goed voorbeeld kunnen dienen.

Dan moet tolk Thelma naar haar kinderen en rij ik met John naast me naar zijn modeloma in Soweto. Gebaren kan ik een beetje, maar rijden en gebaren is me in levensgevaarlijk Johannesburg te veel. In stilte zitten we naast elkaar, ieder in zijn eigen wereld. Ik voel het isolement waarin John vaak verkeert. Het frustreert me mateloos, maar ik kan er niets aan doen.

Sybilla Claus

Bron: Mondiaal Nieuws