Image Willekeur regeert bij minderheidstalen. Wel geld voor tv in het Fries, maar niet in het Limburgs. En Nederlandse Gebarentaal wordt niet eens erkend. Van het Fries tot het Zeeuws, van het Limburgs tot de Gebarentaal, Nederland is rijk aan autochtone minderheidstalen. Soms worden ze opgevoerd als teken van de culturele rijkdom van ons land, maar meestal worden ze als hinderpaal beschouwd. Een samenhangend overheidsbeleid bestaat niet. Tijd dat daar 
verandering in komt, vooral voor de gebarentaal.

Precies tien jaar geleden, in maart 1998, trad in Nederland het Handvest van de Raad van Europa in werking, waarin staat hoe landen hun 'eigen' minderheidstalen moeten beschermen. Aanvankelijk dacht men in Nederland alleen aan het Fries. Die taal is ook de enige die volledige erkenning gekregen heeft. Maar door intensieve lobby's zijn uiteindelijk ook het Nedersaksisch (dialecten die van Groningen tot de Achterhoek gesproken worden) en het Limburgs erkend.

Die laatste erkenningen zijn niet meer dan een loos gebaar: er worden geen consequenties aan verbonden. Terwijl de rijksoverheid geld uittrekt voor onderwijs en radio en tv in het Fries, gebeurt er niets dergelijks voor het Limburgs of het Nedersaksisch.

De willekeur regeert als het om minderheidstalen gaat. Zo is het Nedersaksisch wel erkend en het Zeeuws niet, omdat het Nedersaksische gebied al vroeg een groep politici gemobiliseerd heeft, waaronder de VVD'er Henk Kamp. De Zeeuwen zijn te laat gaan lobbyen. Bovendien adviseerde de Nederlandse Taalunie tegen erkenning van het Zeeuws. Het Nederlands-Vlaamse overheidsorgaan voor taalbeleid werd voor het eerst geraadpleegd, en is een bolwerk van de standaardtaal.

Het is onredelijk het Nedersaksisch en Zeeuws verschillend te behandelen. Iets soortgelijks geldt voor de verhouding tussen het Fries en de andere streektalen. Friese taallobbyisten wijzen er wel op dat het Fries taalhistorisch meer afwijkt van het Nederlands dan alle andere streektalen. Dat argument voor een status aparte van het Fries is niet sterk. Volgens sommige maatstaven wijkt het Limburgs minstens evenveel af van de Nederlandse standaardtaal. Bovendien leeft het Limburgs in veel opzichten meer onder zijn sprekers dan zijn bevoorrechter Friese broeder. De kwestie is niet of er geld moet worden gestoken in een Friestalige omroep; maar in zo'n geval moet er óók geld zijn voor een Limburgstalige omroep.

Dan is er tot slot, de Nederlandse Gebarentaal. Alle deskundigen zijn het er over eens dat gebarentalen volwaardige menselijke talen zijn. Meer dan wie ook zijn doven gebaat bij voorzieningen in hun eigen taal. Jaren geleden drong een overheidscommissie al aan op een wettelijke inbedding voor deze bijzondere taal. Sindsdien is er niets gebeurd.

Er is wel op gewezen dat gebarentalen volgens de letter niet onder het Europees Handvest vallen, maar we kunnen erkenning natuurlijk ook op andere manieren regelen. Het is onredelijk om als overheid wel allerlei talen te erkennen en de enige groep die erkenning écht nodig heeft, links te laten liggen.

Helaas bekommert niemand zich echt om onze talen. Vijf jaar geleden kondigde de Nederlandse Taalunie aan met een plan voor een samenhangend taalbeleid te komen, maar daar is sindsdien niets meer over vernomen. Nederland was ooit een van de eersten die het Europees Handvest ondertekenden en in werking stelden. Het wordt tijd nu echt iets te doen voor de talenrijkdom.

Bron: Trouw en AnnieS