Image Voor jongeren die ondanks chronische ziekte of beperkingen mogelijkheden hebben om (gedeeltelijk) te kunnen werken, zal de ondersteuning primair gericht worden op het krijgen en behouden van werk naar vermogen. Daartoe zal de Wet  arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) worden aangepast. Jongeren die na de aanpassing (2010) voor de Wajong in aanmerking komen en de mogelijkheden hebben om te werken, zal zoveel mogelijk werk worden aangeboden in het kader waarvan zij hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen. De inkomensondersteuning die ook mogelijk is en nodig kan zijn, is aanvullend daarop. Ook zal bij eerste aanmelding niet getracht worden om al definitief vast te stellen in welke mate er mogelijkheden tot werk bestaan. Dat zal pas na verloop van een aantal jaren zijn, waarin de ontwikkeling van de aanwezige mogelijkheden zo goed mogelijk is ondersteund en gestimuleerd. De ministerraad heeft op voorstel van minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingestemd met toezending aan de Tweede Kamer van de notitie 'Participatie van jongeren met een beperking' waarin deze lijn is opgenomen.

Het aantal jongeren dat jaarlijks een beroep doet op de Wajong groeit sterk en is de afgelopen vijf jaar zelfs verdubbeld. Momenteel hebben 166.000 mensen een Wajonguitkering; zonder ingrijpen zullen dat er in 2050 ongeveer een half miljoen zijn (dan 5 % van de beroepsbevolking). Steeds meer jongeren raken op een zijspoor raken en doen niet meer mee in de samenleving, terwijl ze daar wel mogelijkheden voor hebben. Het kabinet vindt dit onaanvaardbaar. Jongeren met een beperking moeten kansen krijgen om te werken en actief deel te nemen aan de samenleving. Dat willen ze zelf ook graag.

In de huidige Wajong wordt een jongere al volledig arbeidsongeschikt verklaard op een jonge leeftijd (vaak rond 18 jaar). Hij/zij is dan nog volop in ontwikkeling en er is nog niet gekeken welke mogelijkheden de jongere nog wél heeft. Ongeveer tweederde van de huidige instroom in de Wajong heeft evenwel naar verwachting nog participatiemogelijkheden. Volledig arbeidsongeschikt zijn, leidt bij deze mensen tot een negatief zelfbeeld en een stempel bij mogelijke werkgevers.

Daarom komen er in de nieuwe situatie twee keuringsmomenten; een keuring bij de aanvraag van de Wajong en een beoordeling in principe op 27 jaar. Jongeren bij wie bij de eerste keuring al duidelijk is dat ze nooit kunnen werken, krijgen een Wajonguitkering op het niveau van personen die volledig arbeidsongeschikt zijn (75 procent van het minimumloon). Jongeren die mogelijkheden hebben om te werken, krijgen ondersteuning en begeleiding bij het vinden en behouden van werk bij reguliere werkgevers. Inkomensondersteuning is alleen aan de orde in aanvulling op het inkomen uit werk of als er buiten schuld geen werk is.

Jongeren die bij de voorlopige keuring (gedeeltelijk) mogelijkheden hebben om te werken, maar niet zelfstandig 75 procent van het minimumloon kunnen verdienen, komen in de nieuwe Werkregeling Wajong terecht. Deze regeling ondersteunt hen maximaal bij het vinden en behouden van werk. Zij krijgen een participatieplan waarin hun rechten en plichten staan. Een werk- of leeraanbod moeten ze accepteren. Uitgangspunt is dat Wajongers twintig procent van het minimumloon zelf kunnen verdienen. In aanvulling daarop kunnen ze inkomensondersteuning krijgen. Dit is ook het geval als betrokkene buiten zijn schuld geen werk heeft of het aangeboden werk geen inkomen van 20 procent van het minimumloon kan opleveren. Hoewel deze jongeren niet volledig arbeidsongeschikt zijn, gaat het kabinet hierbij voorlopig uit van een uitkeringsniveau van 75 procent.

Voor Wajongers die werken, zal boven de genoemde drempel van 20 procent meer werken meer lonen. Ook wordt meteen duidelijk wat ze overhouden als ze (meer) gaan werken. Van elke extra verdiende euro aan loon, behoudt de Wajonger de helft tot een maximum van 100 procent minimumloon. Studerende jonggehandicapten krijgen studiefinanciering en kunnen een aanvulling aanvragen van 25 procent minimumloon.

Het kabinet wil met de sociale partners afspraken maken over het openstellen van functies voor Wajongers. De Stichting van de Arbeid heeft de urgentie van deze aanpak onderschreven en wil zonodig in cao's nadere afspraken maken. Ook tijdens het Voorjaarsoverleg hebben de sociale partners en het kabinet afgesproken in de cao meer banen voor jongeren met een beperking mogelijk te maken. Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om Wajongers in dienst te nemen, komt er vanaf oktober 2008 een loket dat de administratieve rompslomp zoveel mogelijk uit handen neemt.

Het kabinet constateert dat de problemen met jongeren met een beperking vaak het eerst in de (jeugd)zorg worden geconstateerd, dat de jongere vervolgens vaak naar het speciaal onderwijs gaat en uiteindelijk in de Wajong terecht komt. Het onderwijssysteem richt zich te weinig op werk en jongeren ervaren dat school vooral de nadruk legt op beperkingen. Het kabinet wil dit omkeren en bij de participatie van jongeren meer uitgaan van wat jongeren kunnen. Dat begint bij onderwijs. Met de nota Passend onderwijs is aangegeven dat het onderwijs aan jongeren met een beperking moet verbeteren. Jongeren met een beperking en hun ouders kunnen gebruik maken van de voorzieningen voor gezinnen. Een belangrijke schakel daarin, zullen de centra voor jeugd en gezin zijn.

Bron: ZorgKrant / DovenTV