Image Een goed begrip tussen arts en patiënt komt een optimale behandeling ten goede. Maar communicatie met dove of slechthorende patiënten is ondanks tolken en behulpzame familieleden lastig. Twaalf medewerkers van de afdeling KNO - arts-assistenten, een audioloog en een logopedist - volgen daarom een cursus gebarentaal.

door Masja de Ree foto’s Marc de Haan

Voor mensen die doof geboren worden en opgroeien met dove ouders is gebarentaal meestal de eerste taal, de moedertaal. Ook leren dove of zeer slechthorende kinderen tegenwoordig gebarentaal op de dovenschool. Mensen die op latere leeftijd doof of slechthorend worden gebruiken gebarentaal soms als ondersteuning van spraak, spraak afzien (liplezen) of een hoorapparaat. “Mensen die gebarentaal als eerste taal hebben, zien we niet zoveel op de polikliniek”, zegt Mark Friebel, kno-arts in opleiding. Bij de subafdeling van kno waar doven een cochleair implantaat geïmplanteerd krijgen om te kunnen horen, komen wel vaker patiënten die gebaren. De medewerkers op deze afdeling volgden al eerder een cursus ‘Nederlands ondersteund met gebaren’.

Vertrouwen winnen
Mark Friebel en zijn collega’s zien vooral mensen met klachten aan de oren of van wie het gehoor langzaam achteruit gaat. Deze patiënten beheersen soms wel gebarentaal maar kunnen ook praten en zijn in staat de arts te begrijpen dankzij een hoorapparaat of spraak afzien. Gebarende doven hebben recht op een tolk. Echt noodzakelijk voor de communicatie is het leren van gebarentaal dus niet. Waarom dan toch een cursus? “Ik denk dat een arts die gebarentaal kent, gemakkelijker het vertrouwen van de patiënten wint. Ik wil mijn naam kunnen vertellen, vragen hoe het met iemand gaat.”

Friebel heeft niet de illusie dat hij vloeiend leert gebaren. “Vragen naar concrete zaken, dat is te doen: loopoor, bloed, misselijk. Abstracte gevoelens zijn een stuk moeilijker uit te beelden. Voor het stellen van een diagnose is dus de Nederlandse taal, eventueel via een tolk, noodzakelijk. “Maar een kleine mededeling als ‘ik ga nu in je oren kijken’, is voor een patiënt prettig”, zegt Friebel. “Ik ervaar dat patiënten los komen als ze zien dat de arts een paar gebaren kent. De patiënt merkt dat de dokter ervoor openstaat.”

800 gebaren
De basiscursus gebarentaal bestaat uit twaalf lessen. Na afloop kent de deelnemer zo’n 800 gebaren. De docent, Mariska van Zanten, houdt rekening met de achtergrond van de cursisten, zodat ook kno- of ziekenhuisgerelateerde termen aan bod komen. De cursus besteedt aandacht aan bewustwording. Met behulp van video’s wordt getoond hoe het voor een dove is als iemand ineens wegloopt omdat de telefoon gaat en hoe belangrijk het is goed te articuleren. Van Zanten: “Het is voor dove mensen niet altijd prettig om naar een arts te gaan die hen alleen medisch benadert. kno-artsen krijgen van de dovengemeenschap wel het verwijt dat ze mensen alleen maar willen laten horen. Zij zien zichzelf als een culturele minderheid en zijn trots op de gebarentaal. Ik leer de cursisten daarover.”

Expressief
Makkelijk vinden de kno-ers het niet. Er zijn niet alleen veel gebaren te leren, de gebarentaal heeft ook een heel andere grammatica dan het Nederlands. Het onderwerp komt bijvoorbeeld meestal achteraan, in plaats van aan het begin van de zin. Friebel: “Het lastigste is om over de eerste gêne heen te komen. Gebarentaal is heel expressief, je moet alle gebaren met overtuiging maken. Doven vinden niet voor niets dat in de Nederlandse taal geen enkele emotie
zit.” Gelukkig is dat voor Friebel, die toneel speelt, niet zo’n probleem. Hij is dan ook degene die ’s ochtends over de afdeling loopt en iedereen al gebarend goedemorgen wenst. “Om de mensen een beetje enthousiast te maken. Het is ook gewoon erg leuk om met je collega’s een nieuwe taal te leren.”

Bron: Cicero / doof.nl