Image Wat mij in Marloes Lasker, de auteur van dit boek, van meet af aan opviel, is dat ze zo fantastisch kan zien. Dat is nogal een boude uitspraak over iemand wier fysieke gezichtsvermogen vrijwel uitgeschakeld is. Ze is nagenoeg blind. Ze is ook bijna doof. Want ze lijdt aan het syndroom van Usher. Maar haar hele leven getuigt van zien en luisteren zonder weerga, zo begint het voorwoord dat zenleraar en auteur Dick Verstegen schreef bij het visuele dagboek (art journal) van Marloes Lasker (1976). Vanaf haar dertigste verjaardag schreef en tekende ze een jaar lang in dit dagboek, dat begin december verschijnt bij uitgeverij A3 boeken in Geesteren.

Marloes Lasker is vanaf haar geboorte zwaar slechthorend. Toen ze twaalf was kreeg ze last van haar ogen. Op haar zestiende werd het syndroom van Usher gediagnosticeerd; een combinatie van slechthorendheid met een oogziekte, genaamd Retinitis Pigmentosa (RP). De oogziekte is progressief, dat wil zeggen dat het gezichtsveld afneemt. Ze kijkt door een soort tunneltje, met alleen in het centrum van het gezichtsveld nog zicht. Op dit moment is er nog maar 5 graden van over. Hoe het verder gaat, valt niet te voorspellen.

Als kind was ze vaak in de buurt van pony’s en paarden te vinden en daarnaast schreef en tekende ze veel. Zo maakte ze een tijdschriftje over pony’s, met haar opa als enige abonnee. Ze schreef veel verhalen en in haar dagboeken tekende ze ook. Ook al heeft ze een grote passie voor lezen; uiteindelijk heeft ze liever een leeg dan een vol boek. In een leeg boek kan nog een totaal nieuwe wereld gecreëerd worden en de witte bladzijden bieden werkelijk ongekende mogelijkheden. Daarom is Marloes ze ook gaan maken. Lege boeken. Veelal met zelf ontworpen en beschilderde omslagen en met de katernen op een zichtbare en creatieve manier aan elkaar genaaid.

Nadat Marloes volledig arbeidsongeschikt was verklaard, bezocht ze bij De Paraplu, een activiteitencentrum voor lichamelijk gehandicapten, een keer in de week de cursus zenmeditatie, onder leiding van Dick Verstegen. Meteen de eerste les had ze het gevoel dat ze thuis was gekomen. Later, in een workshop Zen-zien-tekenen met Maria Adriaens sprak ze eens woorden die Verstegen, aldus zijn voorwoord, diep hebben getroffen: ‘In de stikdonkere, massieve zendo van De Tiltenberg met zijn statige pilaren en ramen boven ooghoogte brandde in de avondstilte alleen een kaars. Marloes zei vanuit het duister dat ons allen omgaf: “Ik weet nu dat ik altijd zal blijven zien”.’

Sinds januari 2005 is de bekende zenleraar Nico Tydeman officieel haar leraar en in november van dat jaar ontving ze van hem de boeddhistische voorschriften middels de jukai ceremonie. Tijdens deze ceremonie kreeg ze ook haar Dharmanaam: ‘Ziende het onzienlijke’, die ze zelf heeft afgekort tot Zho. Een toepasselijker titel voor een visueel dagboek van een doofblinde vrouw is er niet. In zijn voorwoord schrijft Verstegen: ‘Als de zesde zenpatriarch Huineng in de zevende eeuw zegt dat de betekenis van het leven is om te zien, dan is Marloes iemand die dat ten volle belichaamt, precies zoals Huineng dat m.i. bedoeld heeft. (…) Als je werkelijk ervaren kunt wat je zintuigen je mogelijk maken te ervaren, dan word je geraakt. Daarvoor is een open mind zonder grenzen een veel belangrijker voorwaarde dan de vraag of het lichaam wel perfect werkt. Je open stellen voor wat de werkelijkheid van moment tot moment aanbiedt, leuk en niet leuk, is iets wat Marloes bij uitstek geleerd heeft, misschien juist wel als gevolg van haar afnemende gezichtsvermogen en gehoor.’

Met ‘Zho’ gunt Marloes de lezers een kijkje in haar leven, in haar wereld vol alledaagse gebeurtenissen en gedachten waarvan je niet anders dan stil kunt worden. Zo begint ze op 4 oktober 2007 met een citaat van Nico Sensei, naar aanleiding van een tekst van de bekende Zenmeester Dogen: “Spiritueel gezien zijn we nooit alleen. We delen altijd een gemeenschappelijk leven met de tienduizenden dingen.” Na het citaat schrijft ze: ‘Ineens besef ik weer dat vrijheid mij geschonken wordt. Elke vogel die in de dakgoot scharrelt, verruimt het waarnemingsveld, verruimt de wereld. De Man vertelt ’s avonds in bed dat hij ze hoort, de vogels. Hij hoort bussen optrekken op de Neude, mensen praten op straat. Als hij dat vertelt, verruimt mijn lichaam zich. Het blijft niet beperkt tot het bed, maar strekt zich uit over de straten, de stad zelf. Zelfs het water dat door de leidingen blijkt te lopen, maakt de wereld zoveel groter. Zoveel groter dan die kleine waarneembare wereld om mij heen. In plaats van verdrietig te zijn om het feit dat ik de vogels nooit hoor en zonder ze bewust te zijn in een kleinere wereld rondloop, is de grootsheid die geschapen wordt overdonderend. In plaats van tranen om het besef dat ik nog meer missen moet - want achter het gescharrel in de dakgoot en het water in de leidingen moet nog veel meer waar te nemen zijn - komen de tranen van geluk. Dat ik met de vogels mee kan en ga, een grotere wereld in. De opperste verwondering dat het leven geeft, de vleugels die me aangereikt worden. Ik kan reiken en reiken, met mijn armen wijd uitgestrekt en er is niets dat dít tegenhoudt.’ Onderaan de tekst staat een tekening van een rij bomen langs het Amsterdam-Rijnkanaal tegen een lucht gekleurd door het ochtendgloren.

Hoewel het art journal ons leert dat ze regelmatig op pad gaat, een paar straten om, naar een vriendin in London, op cursus in Amsterdam, naar een fotosessie met Spencer Tunick en de Great Sangha Gathering op Ameland, brengt ze veel van haar tijd thuis door, alleen. Er zijn dagen achtereen dat ze alleen De Man en de cassière van de supermarkt (lijfelijk) spreekt. Ze heeft er mee leren omgaan. Vrijdag 27 juli 2007: ‘In het begin van de week was ik wat verdrietig. Ook met betrekking tot mijn ziekte kan ik soms nog verdrietig zijn. Het zou onzin zijn om het tegendeel te beweren. (…) Maar het verdriet (of de pijn) wordt niet méér dan wat het gewoon is: verdriet of pijn. Het neemt momenteel niet meer zozeer mijn totale welzijn over, al lijkt dat op zo’n moment wel even zo. (…) Het is als oefening heel interessant om eens andersom tegen emoties aan te kijken. Dat emoties niet van mij zijn, maar van een bepaald moment. Ze zijn niet in mijn bezit. Dat maakt dat ik het gevoel krijg dat ik er los van sta. En dat ik ze niet allemaal als overtollige bagage in mijn rugzak hoef mee te slepen als het moment al lang en breed voorbij is.’ Ze is er zelfs van gaan houden, van het alleenzijn. Op 10 september schrijft ze: ‘Ik mag dan wel geen rijk sociaal leven hebben, ik krijg wel veel tijd dit leven te onderzoeken.’ Iets verderop geeft ze het advies aan mensen die veel alleen zijn: ‘Leer met jezelf opschieten. Het scheelt enorm als je met jezelf door één deur kan. Als je dat niet kan, en jezelf de schuld blijft geven van alle fouten die je gemaakt hebt en je ongetwijfeld nog zult maken, dan maak je het jezelf knap lastig.’ Hoe relativerend is dan het bijschrift bij de foto van haarzelf in oranje tenue op de Vrijmarkt - Koninginnedag 2007: ‘Met moet zichzelf niet al te serieus nemen…’

Het art journal is geheel met de hand geschreven en getekend.
ca 128 pagina’s, 14,8x21cm, pb, fc, uitgeverij A3 boeken, Geesteren, www.A3boeken.nl
ISBN 978 90 77408 48 3, € 19,50

Bron: doof.nl